Foodagro-trends: De boer als ontwikkelingswerker?

Misschien heb je het gemerkt: de verse spinazie was even op. Nederlandse supermarkten hebben een tekort aan verschillende groentesoorten gehad omdat delen van de oogst in Spanje zijn mislukt. Weinig Nederlanders lagen er wakker van omdat er genoeg alternatieven zijn (waaronder diepvries spinazie) en omdat de problemen van korte duur waren. Toch zette het korte nieuwsbericht mij aan het denken over de mogelijke voedselonzekerheid in de toekomst.

In mijn vorige blog schreef ik hier al over, naar aanleiding van foodtrend-rapporten van PwC en ABN Amro. In 2050 moeten 9 miljard mensen elke dag voldoende kunnen eten en drinken. Een flinke uitdaging waar technologische ontwikkelingen bij kunnen – en zullen – helpen. Maar wat mij betreft is kennis delen via internationale samenwerking de sleutel tot succes. Dus neem ik je even mee in de vraag: wordt de Nederlandse boer ontwikkelingswerker?

Kijkje bij de melkboer

De problematiek die ik hier aankaart heeft betrekking op de verschillen tussen de mogelijkheden die boeren in het Westen hebben en boeren in armere delen van de wereld. Deze ongelijkheid wordt extra duidelijk door de gevolgen van mondialisering. Om iedereen te laten profiteren van technologische vooruitgang binnen de agrosector, moet er intensief en actief samengewerkt worden tussen boeren hier en daar.

Het lastige is dat de basisvoorzieningen in Afrika, Zuid-Amerika of delen van Azië vaak minder goed zijn en minder goed georganiseerd dan hier in Nederland. Neem bijvoorbeeld melkboeren. Hier is het proces van melk ophalen, verwerken, afrekenen en kwaliteit beoordelen van de aangeleverde melk volledig gereguleerd en geautomatiseerd. Dit heeft voor boeren het grote voordeel dat ze bepaalde zekerheden hebben en de industrie heeft de garantie dat er gereguleerde melkleveringen komen met bepaalde kwaliteitskenmerken. De hele keten profiteert dus.

Mede hierdoor is de melkproductie in ons land zo hoog. Nederland is goed voor bijna 3% van de wereldwijde melkproductie en binnen de EU voor bijna 30%. Als je dit zou projecteren op de bevolking en de dagelijkse “melk”-behoefte (denk hierbij ook aan kaas, boter, babyvoeding, etc.) dan is dat een erg hoge productie.

Naast de productievolumes, is de kwaliteit van melk ook nog een keer hoog. Nederlandse melk bevat veel eiwitten en vetten. Dit komt grotendeels doordat de grondstoffen voor de melk – hoogwaardig diervoeder en schoon water – voorradig zijn. Maar het komt ook door de verregaande automatisering van het gehele proces waarmee de hoge kwaliteit gewaarborgd wordt.

Automatiseren of delen?

In niet-Westerse landen is dit vaak niet het geval. Dus wat gebeurt er als Nederlandse boeren hun kennis gaan delen met landen als India, China of Brazilië? Samen is de vraag naar melkproducten in deze landen ongeveer gelijk aan die van de gehele EU. En met de juiste kennis zou hun melkproductie kunnen verdubbelen. Geen overbodige luxe in de komende decennia. Helemaal wanneer de kwaliteit van de producten ook toeneemt.

Dus rijst bij mij de vraag: moet de focus van Nederlandse boeren alleen liggen bij het verder automatiseren van zijn product, of moet hij juist ook zijn kennis gaan delen? Wat mij betreft het laatste – al zal dat niet als een verrassing komen.

Kennisexport

Gelukkig exporteren Nederlandse boeren inmiddels al heel wat, meldde de Volkskrant onlangs. De export van onder andere kassen, vaccins, gewasbescherming en melkrobots leverde in 2016 bijna 9 miljard euro op. Nederlandse boeren verdienen dus steeds meer aan deze agrarische kennisexport. Door te participeren in buitenlandse coöperaties of het opzetten van nieuwe, internationale ondernemingsvormen kunnen de boeren bovendien bijdragen aan het vergroten van de wereldwijde voedselproductie. Een win-win situatie, als je het mij vraagt.

Soortgelijke berichten

Lees meer
Lees meer
Lees meer
Lees meer
Lees meer
Lees meer

Contact
Contact

Heeft u vragen? Neem gerust contact met ons op.